Evolutie-onderzoek in een plantsoen
Let op! deze proef kost een lange looptijd, maar weinig inzet tijdens het grootste
deel van de proef.
Een van de meest voorkomende (akker)onkruiden is de paardenbloem (Taraxacum spec.).
Deze plant heeft een vrij duidelijke opbouw: Een penwortel, met aan de bovenzijde van deze
pen een groeipunt waaruit een bladrozet groeit. Ook de bloeisteel komt hier vandaan.
Paardenbloemen zijn door hun groeivorm redelijk bestand tegen betreding en begrazing. De
vlakliggende bladeren doorstaan deze beproevingen redelijk. Zolang de groeipunt en de
wortel niet worden beschadigd kan een plant zich vaak herstellen. Toch is het niet
ondenkbaar dat de plant zich na een paar jaar anders gaat ontwikkelen als de omgevingsdruk
erg hoog is. Je zou dan dus natuurlijke selectie aan het werk moeten kunnen zien tussen
populaties die veel, en populaties die weinig omgevingsdruk ondervinden. De vraag is dan
of de planten hun nageslacht aanpassen aan de plaats waar zij groeien.
Hoe kun je nu natuurlijke selectie vaststellen?
Zoek een aantal grasvelden met uiteenlopende maairegimes, bijvoorbeeld een regelmatig
gemaaid gazon en een wegberm met meer ecologisch beheer.
- - formuleer eerst je verwachtingen: wat zal het verschil zijn tussen een paardenbloem
van een geregeld gemaaid gazon en een paardenbloem uit een min of meer wilde omgeving.
- let hierbij op de verhouding tussen wortel en bovengrondse delen, het
totaal-drooggewicht, omvang van de bladeren, e.d.
- Zoek in het voorjaar een aantal (ca 20 per gebied) paardenbloemen waar vruchten aan
zitten (je weet wel die parachuutjes). Uiteraard houdt je precies bij waar de zaden
verzameld zijn.
- Dan komt nu het onderdeel wat tijd kost:
- Zaai de zaadjes en verzorg ze gedurende twee of drie maanden (is niet erg ingewikkeld,
op tijd water geven is eigenlijk het enige)
Nadat de planten voldoende groot zijn, worden ze geoogst om er de relevante gegevens
van te verzamelen.
 | - verzamel wortels (zo veel mogelijk, ook de kleinere) |
 | - verzamel alle bovengrondse delen |
 | - droog alle delen na weging en weeg ze na drogen nogmaals |
 | - zorg dat er niets door elkaar raakt!!! |
Discussie:
- Paardenbloemen zijn niet helemaal standaard. De gemiddelde paardenbloem
is een zelfbestuiver/asexueel voortplanter. Dit betekent dat een ouder genetisch
(grotendeels) identieke nakomelingen maakt. Voordeel hiervan (voor het experiment) is dat
de afstammelingen van twee ver uiteen geoogste ouders met grote waarschijnlijkheid van
elkaar zullen afwijken. Nadeel is dat het aantonen van selectie daardoor veel moeilijker
wordt.
- er bestaat ook nog zoiets als het founder-effect. Zeker bij moeilijk kruisende
soorten is het van belang om in de gaten te houden dat gebieden veelal worden
gekoloniseerd door een enkele ouder. Alle nakomelingen hebben dus vooral eigenschappen van
deze ouder.
Toch is het niet moeilijk om een selectieproces aan te wijzen/tonen. Genetische drift
veroorzaakt random veranderingen in een populatie.De veranderingen in de paardenbloemen
zijn echter voorspelbaar. Als aan de proef een gedegen discussie is voorafgegaan dan kan
de uitkomst worden getoetst aan de hypothese (andersom uiteraard).
Als de proef geen verschilen tussen de populaties laat zien dan kan nog steeds een
goede discussie plaatsvinden over de rol van verschillende milieufactoren, waarvan er
misschien wel andere zwaarder wegen dan de maaifrequentie.
Naar de leeskamer
|